Thema-avond homofoob geweld dd. 15-04-2010
Op donderdag 15 april heeft de werkgroep Politiek een thema-avond georganiseerd over het onderwerp “homofoob geweld”. De bijeenkomst is mede voortgekomen uit het Regionaal Discriminatie Overleg, waarin naast de politie, Artikel 1 (de landelijke organisatie op het gebied van antidiscriminatie en eerder bekend als de Anti Discriminatie Bureaus) ook ons COC zitting heeft. Tijdens de avond zijn vrijwilligers van COC Deventer geïnformeerd over de manier waarop de politie in de regio’s IJsselland en Twente probeert zicht te krijgen op aangiftes van discriminatie. Het doel is de hulpverlening voor slachtoffers te verbeteren. Verder is ingegaan op de hulpverlening en preventie in de gemeente Deventer met de rol van het Meldpunt Discriminatie en Artikel 1 daarin.
Namens COC Deventer heeft Charles Felix (voorzitter) de thema-avond geopend. COC Deventer neemt sinds 2008 deel aan de diverse overleggen met betrekking tot discriminatie. Hierdoor kan het COC een rol spelen in het verstrekken van informatie onder haar doelgroep, het bieden van ondersteuning en invloed uitoefenen op het (homo)beleid dat er in Overijssel wordt ontwikkeld.
Zafer Aydogdu, beleidsmedewerker diversiteitbeleid van de gemeente Deventer, geeft hierna toelichting op de inspanningen van de gemeente Deventer. De gemeente Deventer heeft met het Meldpunt Discriminatie Deventer, dat wordt beheerd door het Etty Hillesum Centrum een laagdrempelige voorziening voor het melden van discriminatie gecreëerd. Het meldpunt is een “frontoffice” dat de melding aanneemt en de eerste opvang geeft. Voor verdere begeleiding wordt eventueel gebruik gemaakt van een “backoffice” (Artikel 1), die de melder helpt bij het afwikkelen van het probleem. Zowel de politie als Artikel 1 kunnen hierin een rol vervullen. De gemeente Deventer wil echter ook doen aan voorlichting en preventie en is met een werkgroep voorlichting en preventie verdere activiteiten aan het voorbereiden.
Na deze twee eerste inleiders was het woord aan Felix Adolfsen en Marten Verheijen. Felix Adolfsen is werkzaam als teamleider bij de politie Twente. In 2008/2009 heeft hij een jaar lang op detacheringsbasis gewerkt als projectleider antidiscriminatie Twente/IJsselland bij Artikel 1. Marten Verheijen is 15 jaar werkzaam bij Artikel 1. De samenwerking met de politie is in het verleden soms moeizaam geweest, maar intussen zien Artikel 1 en politie elkaar als partners in de uitvoering van het antidiscriminatiebeleid en in de opvang van slachtoffers.
In de presentaties van Adolfsen en Verheijen komt allereerst aan de orde wat homofoob geweld is. Zo is er het voorbeeld dat twee heteroseksuele mannen in elkaar geslagen worden, omdat ze elkaar helpen met een contactlens en omstanders ten onrechte vermoeden dat het hier gaat om een homoseksuele handeling. Ze worden daar bij uitgescholden voor homo. Dit definiëren de sprekers wél als homofoob geweld, ondanks het feit dat de mannen niet homoseksueel zijn. Een ander voorbeeld is een homoseksuele man die wordt geslagen door zijn vriend. Dit is géén homofoob geweld, maar een vorm van huiselijk geweld. Landelijk is bepaald dat een homoseksueel die door zijn broer wordt mishandeld ook onder huiselijk geweld valt, ook als de homoseksualiteit van de man de aanleiding van de mishandeling is.
In het strafrecht komt homofoob geweld niet voor, maar valt het onder mishandeling/bedreiging. Hieraan kan toegevoegd worden dat het incident een discriminatoir karakter heeft. In artikel 90 van het strafrecht wordt uitgelegd wat discriminatie is. Als bij een veroordeling wordt vastgesteld dat het gaat om discriminatie wordt er een extra strafverzwaring van 30% opgelegd.
Europees gezien stond Nederland op een laag niveau wat betreft discriminatiebestrijding. Procureurs Generaal werden er op aangesproken, maar strafrecht is slechts een middel om discriminatie aan te pakken.
Sinds 28 juli 2009 is de Wet Gemeentelijke Antidiscriminatievoorzieningen van kracht, die de gemeentes verplicht om een (laagdrempelig) meldpunt in te stellen. Het Regionaal Discriminatieoverleg valt ook onder de regie van de gemeentes en wordt per politieregio georganiseerd.
Felix Adolfsen heeft, in het jaar dat hij als projectleider werkte, een detectiesysteem ontwikkeld, dat alle aangiftes controleert aan de hand van een aantal steekwoorden. Bij de eerste controle waren er 3000 hits, die allemaal nagelopen zijn op discriminatoire aspecten en in 400 gevallen bleek het om concrete gevallen van discriminatie te gaan. Nu is er in de twee politieregio’s een dagelijkse monitoring van aangiftes en dat levert per jaar 300 concrete gevallen van discriminatie op in de twee politieregio’s. 300 gevallen die in eerste instantie niet als discriminatie zijn aangemerkt en waarbij de officieren gedwongen kunnen worden extra straf op te leggen!
Bij een gemiddelde politieagent mist de deskundigheid op dit gebied, omdat ze gemiddeld slechts twee keer in de vijf jaar in aanraking komen met aangiftes van discriminatiegevallen. De aangifte kan gelabeld worden, meestal wordt dan “bedreiging” aangegeven. Huiselijk geweld krijgt bijvoorbeeld veel meer aandacht, o.a. omdat er een specifieke taak ligt voor wijkagenten. Voor homofoob geweld is er nauwelijks ingang bij de politie. Door de continue monitoring van de aangiftes op discriminatie wordt er nu meteen teruggekoppeld naar de agent, er wordt in de praktijk geleerd. Learning by doing werkt het best, maar is wel een van lange adem. Op de afdeling zedenzaken van de politieregio Twente zijn er twee agenten vrijgemaakt, die zich bezighouden met discriminatie en dus ook homofoob geweld (10% van de discriminatiegevallen). In de regio IJsselland gebeurt dat helaas nog niet.
Zoals gezegd is het strafrecht slechts een van de middelen om discriminatie uit te bannen. Marten Verheijen geeft aan dat Artikel 1 veel aan bemiddeling doet. Wat ervaren wordt als discriminatie hoeft niet door de dader zo bedoeld te zijn of is door onwetendheid veroorzaakt. Belangrijk om te weten is dat de aangever van de melding van discriminatie wordt gevolgd en begeleid, d.w.z. dat er geen acties worden ondernomen tegen de wens van de aangever in.
Reacties uit de zaal gaan vooral over het wantrouwen dat bestaat tegenover de politie. Felix Adolfsen erkent dat er in het verleden veel is misgegaan. In sommige gevallen is het ook goed dat iemand die aangifte gaat doen ondersteuning krijg van het meldpunt discriminatie en Artikel 1. Bij de politie worden er nieuwe protocollen ontwikkeld om de bejegening en hulp bij een aangifte te verbeteren. Zo is er in een aantal regio’s bijvoorbeeld ook een pilot geweest met de website “hatecrimes”. Via deze website kunnen ook meldingen gedaan worden. De website kost echter verhoudingsgewijs meer personele inzet en levert minder resultaat op dan het systeem in Twente en IJsselland.
Het COC kan dienen als een intermediair en mensen stimuleren gevallen van discriminatie te melden. Met de informatie die op deze avond gegeven is, kunnen vrijwilligers van het COC beter advies geven. Hopelijk zullen aangevers meer vertrouwen krijgen in de aanpak van gemeente, het meldpunt discriminatie, politie en Artikel 1.
Hilda Dun